Opa en opoe

Voorouders tekenen begon een jaar of vier geleden. Oude foto’s van mijn grootouders, van mijn ouders als jonge verliefde bakvissen, van overgrootouders en oudtantes en ooms, het was heerlijk materiaal. En op een onbewaakt moment, toen ik een paar dagen op een woonboot was, alleen tussen de weilanden, ontstonden ineens schilderijen. Blauwe schilderijen en het werden er best veel.

Lockdown

Net na de intelligente lockdown in maart dit jaar, zou de feestelijke opening zijn van mijn expositie met de blauwe voorouder schilderijen. De teleurstelling dat dit niet doorging, slikte ik in. Wat er in de wereld gebeurde was zo veel groter en erger. Ik moest natuurlijk niet zeuren. Mijn frustratie vond een uitweg: ik begon met het schilderen van voorouders van anderen. Voor het eerst in mijn leven werd kunst iets waarmee ik geld verdiende.

De eerste voorouder die ik ooit schilderde was mijn oma. Begin jaren negentig, net na de kunstacademie, werkte ik een jaar aan haar portret. Ik had haar gekend als een vileine vrouw, vroeg oud en verongelijkt over wat het leven en alle mensen haar hadden aangedaan. Ik wilde weten wat haar bezielde en keek eindeloos in haar ogen op een fotootje van toen ze een jaar of zestien was. Tijdens het schilderen ontstond een portret en verbinding tussen ons. Of misschien was die verbinding er al, maar werd het nu voelbaar en zichtbaar.

Liefde

Dat is wat er iedere keer lijkt te gebeuren als ik voorouders schilder. Er ontstaat verbinding, of de verbinding die er al is wordt erkend en krijgt vorm. Ieder schilderij is anders, maar elke keer voel ik liefde voor de mensen die ik schilder. Een liefde die groeit tijdens het maken.

Deze zomer kreeg ik een verzoek van mijn tante. Ze stuurt me een foto van haar grootouders, mijn overgrootouders. Ze staan in de sneeuw voor een oud huis. Zelf zijn ze ze ook al oud en opoe ziet er afgeleefd en verdrietig uit. Ik aarzel en stuur mijn tante een aantal alternatieve foto’s die ik nog heb. Vrolijker, lichter en luchtiger. Maar mijn tante houdt stand, ze weet het zeker. Ze wil een schilderij van opa en opoe, voor hun huis, in de sneeuw.

Het tiende kind

Diezelfde week ontvang ik van mijn moeder ik een foto van het trouwboekje van haar grootouders, van diezelfde opa en opoe. Alle kinderen staan er in, met de hand geschreven in een sierlijk handschrift. Met geboorte- en soms ook sterfdatum. Tussen december 1899 en januari 1900 zijn drie kinderen overleden, één, twee en vier jaar oud. Twee jaar later in 1902 wordt er een kindje dood geboren. Daarna komen er nog drie kinderen waaronder in 1909 als tiende, mijn opa.

Het schilderijtje van opa en opoe wordt anders dan de anderen. Er komt meer kleur in en ik schilder het huisje op de achtergrond en de sneeuw. Het lijden, dat ik eigenlijk liever niet wilde zien, is voelbaar, maar opoe straalt ook kracht uit. Tien kinderen heeft ze gebaard. Als ze bij nummer negen was gestopt, dan was ik er niet geweest.